Hoeveel devices per leerling? 1-op-1, klassenset of mix onderbouwd
1-op-1 klinkt als de veilige keuze, maar een device dat de helft van de dag in de kar staat, kost wel geld. Zo bepaalt u per bouw en vak hoeveel devices per leerling u echt nodig heeft.
In het kort: Er bestaat geen landelijke norm voor het aantal devices per leerling. Het juiste aantal volgt uit drie vragen: hoeveel uur per week werken leerlingen digitaal, hoeveel leerlingen doen dat tegelijk (vooral bij toetsen), en moet het device mee naar huis? In de bovenbouw met dagelijks digitaal werk is 1-op-1 meestal logisch; in de onderbouw van het po volstaat vaak een gedeelde set. Een onderbouwde mix voorkomt zowel tekorten als devices die ongebruikt in de kar staan.
Geen landelijke norm: wat het onderzoek laat zien
De wet schrijft geen verhouding tussen leerlingen en devices voor. Wel is in kaart gebracht hoe scholen het nu doen. In het onderzoek Regelingen devices (2024), dat het Kohnstamm Instituut en Oberon in opdracht van OCW uitvoerden, staan cijfers uit de MYRA-monitor van 2023. Volgens dat rapport heeft in het basisonderwijs ongeveer de helft van de scholen één device per leerling en zo’n kwart één device per twee leerlingen. In het voortgezet en gespecialiseerd onderwijs ligt één device per leerling op ongeveer zeven op de tien scholen.
Ook de manier van beschikbaar stellen verschilt sterk. In het basisonderwijs gaat het volgens hetzelfde rapport ongeveer even vaak om gedeelde devices van school (47%) als om een persoonlijk device van school (51%). In het voortgezet onderwijs schaffen leerlingen in bijna twee derde van de gevallen zelf een device aan. Het rapport noemt geen ‘juiste’ ratio. In de praktijk betekent dit: u mag de keuze zelf maken, maar u moet haar kunnen uitleggen aan team, ouders en medezeggenschap. Kennisnet geeft in het model Vier in balans als vertrekpunt dat u ICT-keuzes baseert op uw onderwijsvisie; dat geldt ook voor het aantal devices.
Vier modellen naast elkaar
| Model | Hoe het werkt | Sterk | Let op |
|---|---|---|---|
| 1-op-1 persoonlijk | Elke leerling een eigen device, vaak ook thuis | Altijd beschikbaar, eigen instellingen, huiswerk mogelijk | Hoogste aantal, schade en verlies buiten school, laadgedrag thuis |
| 1-op-1 op school | Genoeg devices voor de hele groep, maar ze blijven op school (laptopkar) | Geen thuisrisico, volledig in te plannen | Laadcapaciteit, uitdeeltijd, geen thuisgebruik |
| Gedeelde set | Minder devices dan leerlingen, in roulatie per groep of hoek | Lager aantal, goed voor korte, gerichte inzet | Roosterdruk, inloggen per leerling, botst bij toetsmomenten |
| Eigen device (BYOD) | Ouders schaffen aan, school stelt eisen | Weinig schoolinvestering | Ongelijkheid, wisselende kwaliteit, alternatief voor wie niet betaalt |
Voor het vo geldt daarbij een harde randvoorwaarde: volgens de Rijksoverheid mogen scholen ouders vragen een laptop aan te schaffen, maar mogen ze dat niet verplichten. Kunnen of willen ouders niet betalen, dan moet de school een volwaardig alternatief bieden, zoals een leenlaptop. Dat alternatief telt dus mee in uw aantallen. Ter indicatie: een device voor 1-op-1 via ouders kost al snel enkele honderden euro’s per leerling; vraag actuele prijzen op bij leveranciers.
Het beslismodel: van lesrooster naar aantal devices
Het aantal devices per leerling volgt niet uit een gemiddelde, maar uit uw drukste moment. Werk het per bouw of afdeling uit in vijf stappen.
- Gebruiksuren per week. Hoeveel lesuren per week werkt een groep digitaal, per vak of methode? Vraag het de teams, niet de methodeverkoper.
- Gelijktijdigheid. Werkt de hele groep tegelijk digitaal, of een deel in een circuit? Een circuit van drie hoeken met één digitale hoek vraagt een derde van de groep aan devices.
- Piekmomenten. Digitale toetsen en methodetoetsen vragen vaak één device per leerling, soms voor meerdere groepen in dezelfde week. Plan die momenten en tel ze mee. De eisen die toetsprogramma’s aan devices stellen, staan in Digitaal toetsen: welke eisen stellen toetsprogramma’s aan devices?
- Thuisgebruik. Moet het device mee naar huis voor huiswerk of afstandsonderwijs? Dan is een gedeelde set geen optie voor die groep.
- Reserve. Tel een kleine voorraad mee voor reparaties, vergeten opladers en nieuwe leerlingen. Hoe groot die is, hangt af van uw garantie- en leentoestelafspraken.
Wat dit per bouw vaak oplevert
- Groep 1-2: korte, begeleide momenten in een hoek; een kleine gedeelde set tablets ligt voor de hand.
- Groep 3-4: lees- en rekenoefening in roulatie; een gedeelde set per twee groepen kan volstaan, mits toetsmomenten gespreid zijn.
- Groep 5-8: adaptieve methodes en toetsen bijna dagelijks; 1-op-1 op school ligt voor de hand.
- Vo-onderbouw en bovenbouw: digitaal lesmateriaal en huiswerk; meestal 1-op-1 met thuisgebruik, via ouders of in bruikleen.
- So/vso: sterk afhankelijk van de leerling; persoonlijke instellingen en hulpmiddelen pleiten vaak voor een vast device.
Dit zijn uitgangspunten, geen normen. Een basisschool die in groep 4 al dagelijks adaptief rekent, komt anders uit dan een school die daar bewust papier inzet.
Rekenvoorbeeld (indicatief)
Stel: een basisschool met acht groepen van 25 leerlingen, dus 200 leerlingen. De aannames hieronder zijn voorbeeldwaarden; vervang ze door uw eigen rooster.
| Aanname | Waarde | Toelichting |
|---|---|---|
| Groep 1-2 (50 leerlingen) | 1 device per 5 leerlingen = 10 | Aanname: korte inzet in een hoek |
| Groep 3-4 (50 leerlingen) | 1 device per 2 leerlingen = 25 | Aanname: halve groep tegelijk, toetsen gespreid |
| Groep 5-8 (100 leerlingen) | 1 device per leerling = 100 | Aanname: dagelijkse methode en toetsen |
| Reserve | circa 5% = 7 | Aanname: afhankelijk van garantie en leentoestellen |
| Totaal | 142 devices | Tegenover 200 bij volledig 1-op-1 |
In dit indicatieve voorbeeld heeft de school ongeveer 0,7 device per leerling nodig. Het verschil zit niet alleen in de aanschaf. Elk device brengt kosten per stuk mee: een beheerlicentie, een laadplek, een verzekering of eigen risico en een vervangmoment. Hoe u die over de hele levensduur meeneemt, leest u in Total Cost of Ownership: de echte kosten van een device berekenen. Wilt u alleen de prijs van een groepsset inschatten, dan helpt het rekenvoorbeeld voor een klassikale set Chromebooks.
Wanneer de keuze verandert
Een verhouding is geen besluit voor vijf jaar. Herzie haar als een van deze situaties optreedt:
- u stapt over op een methode die dagelijks digitaal werk vraagt;
- een toets verschuift van papier naar digitaal, of naar een andere periode;
- de levensduur van een deel van de vloot loopt af, bijvoorbeeld omdat de updatedatum van een Chromebook-model nadert;
- het telefoonbeleid of het huiswerkbeleid verandert;
- u wilt tijdelijk extra capaciteit, bijvoorbeeld voor een projectweek. Daarvoor zijn ook tijdelijke oplossingen.
Checklist: onderbouw uw keuze
- ☐ Per bouw of afdeling: digitale lesuren per week opgehaald bij de teams.
- ☐ Per bouw: aandeel leerlingen dat tegelijk digitaal werkt.
- ☐ Toetskalender naast het rooster gelegd; piekweken benoemd.
- ☐ Besluit over thuisgebruik per groep vastgelegd.
- ☐ Reserve bepaald op basis van garantie- en leentoestelafspraken.
- ☐ Laadcapaciteit en opslag per lokaal gecontroleerd.
- ☐ Voor het vo: kosteloos alternatief voor ouders die niet betalen geregeld.
- ☐ Kosten per device (licentie, beheer, vervanging) meegenomen, niet alleen de aanschaf.
- ☐ Evaluatiemoment gepland, bijvoorbeeld na één schooljaar.
Zo pakken wij dit aan
EduStockr bemiddelt bij de inkoop en verkoopt zelf geen hardware. In een traject vragen we eerst naar uw aantallen per bouw, uw gebruiksmomenten en wat u al heeft. Twijfelt u tussen twee verhoudingen, dan kunnen we beide varianten uitvragen, bijvoorbeeld volledig 1-op-1 tegenover een mix met laadkarren. We halen voorstellen op bij meerdere gescreende leveranciers en leggen ze naast elkaar, met onze vooraf vastgelegde vergoeding erbij. U kiest zelf en koopt rechtstreeks bij de leverancier, die levert, factureert en garantie geeft. Hoe dat stap voor stap gaat, staat op onze werkwijze.
Eerlijk is eerlijk: de keuze voor een verhouding is een onderwijskundige keuze die bij uw team hoort. Daar hoeft u geen bemiddelaar voor in te schakelen. Wij helpen pas echt als u die keuze vertaalt naar aantallen, specificaties en voorstellen die u kunt vergelijken.
Veelgestelde vragen
Is 1-op-1 verplicht als de methode digitaal is?
Nee. Er is geen landelijke norm. Wel moeten alle leerlingen het volledige lesprogramma kunnen volgen. Of dat met een persoonlijk device of een goed geplande gedeelde set gebeurt, bepaalt de school.
Hoeveel reserve-devices zijn verstandig?
Dat hangt af van uw garantievorm en de afspraken over leentoestellen. Met snelle vervanging door de leverancier kunt u met minder reserve toe dan wanneer reparaties weken duren. Leg dit vast vóór u het aantal bepaalt.
Telt een laptopkar als 1-op-1?
Voor het lesgebruik wel: elke leerling heeft tijdens de les een eigen device. Voor huiswerk niet. Het verschil merkt u vooral in laadcapaciteit en in de tijd die uitdelen en ophalen kost.
Hoe vaak moet ik de verhouding herzien?
Minimaal bij elke methodewissel, bij een wijziging in de toetskalender en vóór elke vervangingsronde. Een jaarlijkse korte evaluatie met de teams is een goede gewoonte.
Bronnen
- Kohnstamm Instituut en Oberon in opdracht van OCW, Regelingen devices (2024), met cijfers uit MYRA 2023 (geraadpleegd oktober 2026)
- Rijksoverheid, Welke kosten moet ik betalen voor mijn kind op de middelbare school? (geraadpleegd oktober 2026)
- Kennisnet, Vier in balans: een betrouwbaar houvast bij keuzes voor ICT-inzet (geraadpleegd oktober 2026)
Over dit artikel: geschreven door de redactie van EduStockr, een handelsnaam van J-Mobile B.V., met een eigen vestiging aan Ambachtsweg 8, 5492 NJ Nijnsel. EduStockr bemiddelt bij de inkoop van devices en verkoopt zelf geen hardware. Dit artikel is opgesteld met hulp van AI-hulpmiddelen; de feiten zijn gecontroleerd aan de hand van de genoemde bronnen op 25 oktober 2026. Ziet u een fout of is iets verouderd? Mail info@edustockr.nl.